Lies en Yep hebben een Volkstuin. Met een hoofdletter, want van serieus formaat. En met een geweldige ligging, dat ook.
Uit zo’n tuin komt, mits je het eerst zaait en plant natuurlijk, een boel lekkers. Al jaren delen wij in dat lekkers, waarvoor we tot nu toe weinig anders deden dan het klaarmaken en opeten. Dat evonden we niet meer in verhouding, dus stelden we voor een deel van de werkzaamheden te adopteren. De reactie op het voorstel was ‘graag!’, dus nu zijn we adoptietuiniers.
Ik groef kuilen.
Gisteravond gingen we nog even naar de tuin. Meneer K:)dootje hielp met de jaarlijkse strijd ‘Yep tegen net en kersenboom’ (ze wonnen, uiteraard), ik groef kuilen.
Dat deed ik op de plaats waar nog oude aspergeklauwen (ik heb het niet verzonnen) in de grond zaten. Die kon ik er dan mooi meteen uithalen. Dat ik meteen ook drie mierennesten uitgroef was ook niet verkeerd, gezien de hoeveelheid daarvan in de gehele tuin.
De associatie met klauwen heb ik nog niet helemaal, ik vond het meer dikke spaghetti. Hoe dan ook: het is een flinke berg wortels, en de grond is daar weer klaar voor iets anders.
En ik kon meteen ‘sporten’ afstrepen van mijn te-doen-lijstje van gisteren…
We zouden met Pinksteren gaan varen. Vanwege het weer op de zaterdag ging dat niet door. Toen hadden we ineens een heel weekend vrij.
Toen vrienden hulp vroegen bij het maken van een houtril als afscheiding tussen hun tuin en een watertje, hoefden we dan ook niet lang na te denken. Toch buitenspelen, maar dan op klompen in plaats van op bootschoenen.
De mensen van ’t Zeeuws Landschap hadden al een stuk gedaan, als voorbeeld.
Na een eerste inspectie werd de taakverdeling gemaakt: de heren gingen bouwen (want ja, dat was met gereedschap, dús voor jongens, kennelijk) en de dames sjouwen. Takkenbezems zijn een vrouwending, kennelijk.
Met beleid en inzicht bepaalden de heren de loop van de ril en de plaats van eventuele paaltjes. Bestaande bomen en struiken gebruiken was natuurlijk de leukste uitdaging.
Intussen sleepten wij nog meer takken aan.
En nog meer.
En nog wat.
Het had trouwens wel wat van mikado, die stapel wilgentakken. ‘Als ik hier trek… DAN KOMT DE HELE STAPEL NAAR ME TOE!!’
De heren bouwden onverdroten voort.
Op een gegeven moment kregen we het sein ‘ril meester’: we waren al bij het einde! Dat ging sneller dan verwacht.
Er waren ook nog takken over. Een paar… stapels zoals deze: Het lijkt wel alsof er weinig gebruikt is, maar gelukkig kun je toch zien dat we best flink wat hout versjouwd hebben als je vanaf de andere kant kijkt:
Als dank voor het helpen buitenspelen mochten we ook nog blijven eten! En even met de ezels knuffelen.
Een paar jaar geleden lieten we het terras achterin de tuin opnieuw straten en er een prieel overheen zetten. Vorig jaar is daar een afdak van gemaakt.
Een paar weken geleden kocht ik een hoekbank voor op het terras. Het in elkaar zetten was even gedoe, maar met hulp van mams en een boormachine werd het toch de bedoelde bank.
Hij moet nog wat verder in de hoek, maar dan moet het haardhout eerst verplaatst. Voorlopig staat de bank hier ook prima.
Tafeltje weer terug, struik uit de tuin erop: heerlijk!
En het uitzicht vanuit de nieuwe achterkamer is ook erg leuk:
Voor mijn verjaardag kreeg ik een tijdje geleden wolletjes in allerlei vrolijke kleurtjes. Ik had al bedacht dat dat een kussen voor de tuinbank werd voordat de bank er was, en was er ook alvast aan begonnen.
Gisteren haakte ik het af, vandaag het binnenkussen erin: tadaaa!
Inmiddels is de achterbank zo’n beetje mijn nieuwe woonplek geworden…
Eerder schreef ik over de oogst van de roze aardappels.
Eerder deze week aten we de eerste Rozeval aardappeltjes, verwerkt in een ovenschotel. Niet zo fotogeniek, met room erbij en nog zo wat. Ze waren wel erg lekker.
Vandaag oogstte ik Al onze worteltjes:
Niet zo’n grote oogst dus. Gelukkig lagen er nog wat gekochte wortels en oogstte ik nog een courgette waar ik salade van kon maken. Zo hadden we toch een fatsoenlijke hoeveelheid groente per persoon.
Bij de wortels zouden we schnitzels en aardappels eten. Maar schnitzels vragen eigenlijk wel een beetje om friet. Toch? Dus dat maakte ik.
Ongeschild. Dat spreekt. Mooi hè?
Eenmaal gefrituurd is de kleur wel minder fel, maar nog steeds roze:
Huh? Wat?
Dinsdagochtend hoor ik een hoop lawaai van buiten komen. Veel ZZZZZZ! en af en toe een tik tegen het raam. Als ik opkijk zie ik bijen. VEEL bijen.
(klik op de foto voor een vergroting, dan zie je ze wel)
Ik ga buiten kijken, want het ziet ernaar uit dat ze ergens hier vlakbij neer willen strijken.
Dat klopt. In de heg in onze voortuin om precies te zijn. Niet de beste plek voor een bijenzwerm om te willen wonen, als je het mij vraagt. Maar ja, mij werd niets gevraagd.
De buren komen ook kijken. Ook zij zijn niet zo gelukkig met de keuze van de bijen. Nieuwe buren zijn leuk, maar dit zijn er wel erg veel tegelijk. En ze maken nogal kabaal.
Omdat de bijen niet van plan zijn uit zichzelf weer te verhuizen ga ik een uit-heg-zetting regelen. Een imker bellen dus. Op internet zoeken naar een imker in Goes levert niet zoveel op. Zoeken op ‘Honing Goes’ levert wel wat op. Een imker met de toepasselijke naam Jan Honing. Zelf heeft hij geen plek meer in zijn kasten, maar hij snort een collega-imker voor me op en die wil de zwerm wel komen halen.
Intussen hebben de bijen het zich gemakkelijk gemaakt in mijn heg.
De imker, Henk van der Scheer, arriveert met zijn vangkast.
Daarin heeft hij zes ramen, waarvan er twee al door een ander bijenvolk zijn opgebouwd met raten. Die maakt hij eerst nat, zodat de geur beter verspreid wordt.
Daarna schudt hij de bijen uit de heg in een emmer.
En kiept hij ze op de bijenkast.
Dekseltje erop en deze bijen zitten binnen.
Als de koningin ook al in de kast zit zullen de andere bijen ook de kast in willen. Omdat er nog een aanzienlijk deel van de zwerm (een kleintje volgens de imker, zo’n 5000 bijen) in de heg is blijven plakken schudt hij die er nog uit en giet ze voor de kast. Ze beginnen meteen naar binnen te kruipen, dus het is vrijwel zeker dat de koningin al in de kast zit.
De bijen die nog voor de kast zitten steken hun achterlijf in de lucht en wapperen met hun vleugels. Zo verspreiden ze de geur van hun koningin zodat de andere bijen van de zwerm weten waar ze moeten zijn.
De bijen zullen in de loop van de dag allemaal de kast opzoeken, ook de nog rondvliegende exemplaren. Tegen de tijd dat het donker wordt zitten de meesten binnen en komt de imker de kast weer ophalen, zo vertelt hij.
Deze bijen zijn kennelijk erg braaf, ze zitten ’s middags al vrijwel allemaal binnen. ’s Avonds heeft meneer Van der Scheer de kast weer opgehaald en de bijen verhuisd naar hun nieuwe stek.
Overigens zouden de bijen na een dag of drie vanzelf weer uit de heg zijn vertrokken. Als bijen gaan zwermen hebben ze namelijk een voorraadje voedsel mee dat toereikend is voor ongeveer drie dagen. Na die tijd moeten ze dus weer op zoek naar eten.
Hoewel het niet echt handig is, een bijenvolk in de voortuin, vond ik het ook wel weer jammer dat ze weg waren. Ik vind het wel fascinerend, zo’n bijenvolk. Ze functioneren met zijn vijfduizenden eigenlijk als één individu.
Deze bijen zullen samen met een of meerdere andere volken een grote zwerm gaan vormen, zo’n 60.000 bijen. Daarvoor voegt de imker ze samen in een kast en haalt hij de koninginnen weg totdat er nog één koningin per kast overblijft.
De bijen gaan ergens hier in de buurt, waar wel ruimte is, wonen. Hopelijk hebben ze het daar naar hun zin.
Meneer Van der Scheer, bedankt voor het ophalen van de bijen en voor alle informatie!